vrijdag 2 oktober 2026

Paljas

Zondag stond het beroemde tweeluik Pagliacci & Cavalleria Rusticana bij de Nationale Opera op het programma. Ik ging dit keer met dochter S, je moet als moeder immers je aandacht eerlijk verdelen over je kroost, zeker als je ze alledrie een goede culturele basis wil meegeven. Komt bij dat zo'n tripje tegenwoordig flink in de papieren loopt, geen schellinkje, geen gereduceerd tarief voor jongeren, zieken of oude van dagen, dus gezellig met zijn allen wordt te prijzig.

Zoals gewoonlijk was S weer een plaatje, klassiek gekleed in lamswol en designertas, met een slanke taille en een evenzo strakke kaaklijn. Om niet al te schril bij zoveel jeugdige schoonheid af te steken, had ik extra mijn best gedaan. Ik had mijn satijnen feestbroek aangetrokken, een marineblauw fladdergeval, zonder enige stretch. Een draak van een ding dus, en dat met een paar lang niet gedragen pumps eronder. "Als je jonger was geweest had je er beter uit gezien dan ik", zei het wicht toen ik door ontwenning enigszins wiebelend mijn intrede deed. Met andere woorden: "best aardig voor zo'n oud lijk" (maar verder is ze heus lief.)

We namen de auto naar het station en aldaar de trein naar Amsterdam. We zaten in een stiltecoupé. Twee rijen voor me zat een vrouw, een moslima, geluidloos te huilen terwijl ze op haar telefoon keek. Soms belde ze met iemand. Naast me zat een magere, hoogzwangere vrouw in een korte rok en een mosterdgele panty (nooit begrepen hoe je zo lokaal zwanger kunt zijn, bij mij schommelde alles gezellig solidair mee). Ze hield haar hand onder haar buik en ik zag de baby naar haar toebewegen.

"Zag je dat?", vroeg ik aan S toen we uit de trein stapten. "Die vrouw heeft de hele rit gehuild".
"Oh, wat zielig", zei S. Ze had het niet gezien.
Het was druk op het perron. We bewogen mee met de massa richting de trappen.
Nu moet je weten dat ik behalve hypochondrie ook een lichte vorm van smetvrees heb. Gewone huis-, tuin- en keukenbacteriën doen me niks, ik ben bepaald niet zo iemand die elke week haar bed verschoont of niet gezamenlijk in een bak chips durft te graaien, maar ik ben als de dood voor virussen. Sars, de Mexicaanse griep, Ebola, die goeie ouwe Covid natuurlijk, maar ook het doodgewone influenzavirus, ik mijd eventuele besmettingshaarden als de pest. En mensen zijn vies, heel vies. Loop 's ochtends vroeg maar eens door een supermarkt. Twee van de drie bezoekers heeft zich die ochtend niet gedoucht. Ik ruik dat, ik ruik alles. Ik ben slechthorend en ernstig bijziend en daarom doet mijn neus het fantastisch. Ik ruik het wanneer iemand shag rookt in plaats van sigaretten, ik ruik het als iemand twee dagen geleden knoflook heeft gegeten (dat zweet je uit), ik ruik het als iemand smetplekken heeft of smegma meedraagt. Tenenkaas, een beslagen tong, kerrieoksels, oorsmeer, ik ruik het. Ik draag dit wrede lot gelaten, maar ik zeg u, het is een smerige wereld waarin we leven en daarom raak ik de trapleuningen op vliegvelden en treinstations niet aan; aan een leuning van een internationale toeristische trekpleister als Amsterdam moet zo'n beetje alle gorigheid van de wereld kleven.

En aldus ontvouwde zich de volgende scène (ik heb dit later aan de hand van getuigenissen kunnen  reconstrueren).

Akte 1.
Een vrouw. Ze loopt op een stenen stationstrap naar beneden, samen met haar dochter. Het is druk. Ze draagt een wijde, donkerblauwe satijnen broek met daaronder een paar hoge pumps, ze verbeeldt zich heel wat. De vrouw heeft smetvrees, en, niet onbelangrijk, ze is 67.
Dan, halverwege de trap, blijft haar rechter naaldhak haken in haar linker broekspijp. Omdat ze zich niet vasthoudt aan de trapleuning, raken haar voeten verstrengeld in elkaar. Ze verliest haar balans en begint te vallen. De dochter schrikt. Ze probeert haar moeder tegen te houden, maar het vallen is niet te stoppen. De vrouw raakt de treden, eerst met haar knie, dan haar heup en onderbeen. Net als ze denkt, dit is het, rolt ze weer verder, ze ligt nu op haar rug en nog lijkt het vallen niet te stoppen, ze rolt nog 2 treden omlaag. Dan, na wat een eeuwigheid lijkt, voelt ze een paar ferme handen tegen haar rug en twee andere handen die haar onder haar oksels pakken en omhoog sjorren.
De vrouw kijkt onthutst en enigszins verward in de vriendelijke ogen van twee jongemannen, eind twintig, misschien begin dertig.
"Mevrouw, mevrouw, gaat het", vragen ze geschrokken. "U viel echt heel hard, gaat het?" "Tuurlijk, tuurlijk", mompelt de vrouw met vuurrode wangen van schaamte. Ze bukt zich om de schade op te nemen. Haar knie bloedt, maar wonder boven wonder is haar broek nog helemaal heel. Ze bedankt de jongens, die naar haar mening veel te lang blijven staan om zoiets futiels. "Er is heus niks, geen idee wat daar nou gebeurde. Mijn broek, mijn hak. Nee, geen pijn, niks aan de hand. Bedankt, bye, bye. Heel lief, maar t gaat weer, heus."

Akte 2. 
Ze lopen verder, de vrouw en haar dochter. De pijn, die zal ze pas later gaan voelen, na de 2e en de 3e akte. Het zal blauw en beurs worden, haar been, haar rug. Maar nu niet, nu is er slechts schrik en schaamte.
"Wat de fuk was dat", zegt ze tegen haar dochter.
"Later zullen we erom lachen", zegt zij.
Dan belt ze met haar vriend. 
"Mijn moeder is net kenkerhard van de trap in het centraal station gevallen", lacht ze. 
"Later, ja", zegt de vrouw.
Maar in de metro houdt ze ze zich stevig vast aan de stang. Dan maar ebola.



vrijdag 25 september 2026

Een grotemensenschrijver

De broer en ik praten over het schrijverschap. Hoe ver wil je gaan als het om je persoonlijke leven gaat. Hij heeft strakkere grenzen dan ik; ik wil de lezer nog wel eens een blik gunnen in mijn hopeloos mislukte huwelijksleven van weleer, hij houdt die doos dicht. Ik denk dat ik net iets meer durf dan de broer, maar ben me toch ook bewust van mijn eigen grenzen. "Te braaf om een echte schrijver te zijn", verzucht hij. En daarmee slaat hij de spijker op de kop. Want hoe boeiend ben je als je nooit het achterste van je tong laat zien, als je de deur naar de donkerste spelonken van je ziel gesloten houdt. Schrijven we voor de gemiddelde lezer, in een toegankelijke en luchtige stijl die vooral leesplezier verschaft of zitten er meerdere dimensies in ons verhaal en willen we met onze vertelling een diepere laag aanboren? Gaat het om leuke anekdotes, verteld met de nodige humor, of verhalen we over onze angsten en emoties, over schuld, macht, spijt en boete, om maar wat te noemen.

Het moge duidelijk zijn in welke categorie ik val. Meestal, tenminste. Grappen en grollen alom. De broer gaat vaak de analytische kant op, maar ook hij blijft in zijn hoofd zitten, wat er werkelijk in hem omgaat blijft een stil en duister geheim. Je raakt hoe dan ook lezers kwijt, zegt hij, als je de grenzen opzoekt of zelfs overschrijdt. Ik weet niet eens wie mijn lezers zijn, bedenk ik me. Het is een abstract gegeven, een anoniem publiek in het donker. 

"Je ziet niemand", had dezelfde broer gezegd toen ik voor het eerst in een operette stond. Hij timmerde al jaren aan de weg en kon het weten. Maar toen ik bibberend van de zenuwen (verkleed als zigeunerin met een zwarte pruik) het podium betrad, zag ik ze meteen zitten: mijn ouders, pontificaal vooraan, glimmend van trots. 

Nu ben ik me slechts bewust van het aantal lezers dat reageert. De vrienden, familie, een enkele collega. De rest blijft ongezien. Ooit kreeg ik een boze reactie van mijn tuinman. Hij reageerde op een blog waarin hij een bijrol had. Ik had een grap gemaakt die hij persoonlijk opvatte en hij was niet blij. Terecht, dat voorop, maar ik was vooral verbaasd en lichtelijk in shock, wie las er nog meer mee behalve een handvol vrienden? "Dûh", zei dochter S. "Het internet, hè mam, het internet is een oneindig grote poel des verderfs (maar dan in minder poëtische bewoordingen)", en ze trok de 'boomerkaart' maar weer eens.

Als ik met pensioen ben, dan!, verzucht ik vaak. Dan ga ik echt schrijven, dan word ik een heuse grotemensenschrijver! Dan vertel ik alles, tot aan de meest schokkende details toe. Ze zullen ervan lusten! Klanten, collega's, familie, exen! Ik zal geen vriend meer overhouden. Mijn broers zullen mij excommuniceren, mijn exen zullen mij niet langer jaarlijks mailen met een verjaarsfelicitatie, ik mag niet meer met mijn kinderen mee op vakantie (ook niet als ik betaal) en ik ben niet langer welkom in hun tuinhuisje als ik oud ben en de dagen moe. 

Tot die tijd houd ik het maar op verhalen over mijn dagelijkse lief en leed. Onschuldige blogjes vol Tinderavonturen (nooit meer!), loodgieters, sportschoolontmoetingen, medisch leed en kattenliefde. Had ik al verteld dat ik zondag op het centraal station van Amsterdam van de trap ben gevallen (gekenkerd, zegt mijn dochter)? Nee? Die houdt u dan nog tegoed. Het was pijnlijk, maar hilarisch. 'Life is funny, even when it's sad', hoorde ik onlangs een acteur zeggen en ik besloot ter plekke dat dit mijn grafschrift moet worden. 

donderdag 24 september 2026

RIP. Tinderavonturen, slot

Enige tijd geleden zat ik weer eens op Tinder. Tegen beter weten in want ik had al meerdere malen geconstateerd dat daar niet veel goeds van te verwachten is. Toch is het verlangen naar een man niet zo groot dat ik 30 euro per maand wil neertellen voor een serieuzere app, dus Tinder it was. Mannen schiften op basis van uiterlijk, vrouwen op uiterlijk en tekst. Geen tekst, geen swipe naar rechts. Misschien is dat bij de jongste generatie daters anders, maar zo doen vrouwen van mijn leeftijd het. En zo kan het gebeuren dat je een man leuk vindt op basis van zijn tekst. Het komt nog voor in deze ijdele en oppervlakkige tijden, ik zeg het je.

Want ja, ik trof een leuke man aan, zo maar pardoes tussen alles staatsmongolen in, een erwt tussen stapels van tekst- en breinlozen, een ruwe diamant. We stuurden elkaar dagenlang lappen tekst. En het werd alleen maar leuker. Niet dat hij zo op het eerste oog mijn type was, - hij was kaal en wat schriel -, maar ach, had ik inmiddels niet eindelijk die leeftijd bereikt dat een geestelijke connectie belangrijker was dan een fysieke chemie? De man was erudiet, vertaler van echte literatuur (dus niet van Fifty Shades of Desperate) en schreef zelf ook. Oké, hij woonde in Amsterdam, maar een kleinigheid hou je toch, zoals mijn vriend P altijd zegt. En we kwekten wat af. Zo enthousiast dat ik hem de link naar mijn blog durfde te geven.

Dit had ik slechts één keer eerder gedaan, aan een eindredacteur Kunst van het Eindhovense Dagblad. Hij zag van verder contact af, had hij na enige leesmomenten met een zuinig mondje vastgesteld. Want ik was cynisch en dronk te veel wijn. Waar hij die wijn vandaan haalde is me nog immer een raadsel, want op een enkel feestje na, ben ik al enige jaren praktisch abstinent. Overigens niet nadat de alcohol dikke schade heeft aangericht. Zowel hart als geheugen hebben er een flinke knauw door opgelopen en dat mijn vele huwelijken er destijds niet van opknapten mag ook gerust worden gesteld. Berouw komt na de zonde, tis heus waar. En dan .. cynisch? Als in bitter? Zo zie ik mezelf helemaal niet, ik ben hooguit wat door het leven getekend. Nou ja, saved by the bell, zeggen we dan.

Terug naar de slimme, schriele vertaler. Deze meneer las mijn blog met plezier, zei hij. Het leidde hem bovendien wat af van zijn chronische rugpijn. Hij was net een nieuwe behandeling gestart en au, die kwam binnen. Ik had nog steeds geen lijken in de kast ontdekt, behalve misschien het onopvallende feitje dat hij ooit zijn vrouw had voorgesteld om apart te gaan wonen, hetgeen ze jaren en jaren hadden gedaan. Ik ben er nog niet uit of dat nou heel erg slim was of een teken aan de wand. Feit is dat ik zelf nooit meer wil samenwonen en al helemaal niet in mijn geboortestad.

Maar ineens bleef het stil. Hij reageerde niet meer. Ik toonde me begripvol, want had in hem geen typische Tinderman gezien, maar hij zei niets meer. Ook niet toen ik mijn 06 gaf, iets wat ik doorgaans pas doe na een eerste date. Niets. Geen uitleg, geen laatste woorden, geen 'sorry, maar je drinkt te veel', geen 'je bent niet zo grappig als je denkt', en ook geen 'In zo'n wespennest waag ik me niet'. Niets.

'Hij kan maar beter dood zijn', zei ik tegen de dochter, want al ben ik inmiddels gehard door eerdere ervaringen van ghosting, deze had ik niet zien aankomen. 'Dat is nog zijn enige geldige excuus.'

Toch niet zo'n leuke man.
Of een dooie man, dan RIP.

maandag 14 september 2026

Lijden, groot en klein

Ik ben vandaag zo droevig, ik weet niet eens waarom, maar dan lees ik een bericht over een 15-jarige jongen die na 3 dagen is gevonden op zee, in de Beringzee, zittend op een omgeslagen boot. Het dode lichaam van zijn broer dreef onder de boot en ook zijn neef was verdronken. Het is een bericht zoals er dagelijks velen verschijnen en het zijn ook niet de woorden die me aan het huilen maken, maar het beeld van deze jongen, een kind nog, eenzaam en onderkoeld ineengedoken op zijn omgeslagen boot, in totale wanhoop, of misschien wel berusting.Tranen! 

Gisteren belde S me, ze stond op 2000 meter hoogte, ergens in Canada. Na een klim van twee uur wilde ze haar moeder laten delen in de schoonheid van het uitzicht, maar moeder kon alleen maar zeggen: Heel mooi, maar ga nu maar weer naar beneden. Sju sju, hop, naar beneden, want ik zag in gedachten allerlei poema's op de loer liggen. Dan huil ik om niks, omdat ze volwassen is misschien en aan het andere eind van de wereld rondloopt zonder mijn moederlijke vleugels om haar te behoeden tegen wildlife en kou. 

Het echte, grote lijden raakt me dan weer minder. Dat is een wonderlijk soort zelfbeschermingsmechanisme dat je op mijn leeftijd ontwikkelt. Oorlog, honger, armoede, onderdrukking. Gaza, Iran, Afghanistan, Oekraïne en al die andere landen waar van allerlei vreselijks aan de hand is maar die om de een of andere onduidelijke reden minder aandacht krijgen in de media, zoals Jemen, Sudan, you name it, waar eigenlijk niet. De wereld staat in brand, zeggen ze en dat is zo, vaak letterlijk. De ene ramp is nog maar nauwelijks gefinancierd of de volgende klopt aan de deur. Je sluit die deur in je brein gewoon hermetisch af, anders heb je zelf geen leven meer. Totdat je een klein meisje in een vluchtelingenkamp ziet, 3 jaar, blonde krulletjes, dat sprekend op jouw jongste lijkt toen zij zo klein was. Tranen. Dan loop je naar buiten, de zon in, in het rustige, beschaafde dorpje L, je kijkt naar de jonge eendjes, zo schattig, pril leven. Je neemt een foto, klik, stuurt het naar je zoon. Aaah, reageert hij. Binnen aai je de kat (de kleine moordenaar) en eet een boterham met lemon curd. En dan gaat het wel weer. 

 


zondag 6 september 2026

Krabbels: Odysseus

In 2022 stond ik met mijn beide dochters en vriend S (a.k.a. de Jongen) op de kade van Fiscardo, een vissersdorp in Kefalonia. De gids vertelde ons dat het eiland dat we in de verte zagen liggen Ithaki was, ofwel Ithaka, het wereldberoemde koninkrijkje van Odysseus. Sommige bronnen zeggen trouwens dat het Levkas was, een aanzienlijk groter eiland boven Kefalonia, maar goed, sowieso gaat het hier om de kracht van verbeelding en het willen geloven, net als bij dat andere mythische boek, de Bijbel. Toch jammer dat we de overtocht niet hebben gemaakt destijds, maar ongetwijfeld was het werkelijk voet zetten op mythische bodem ook daar een grote teleurstelling. Zo vraag ik me af of ik mijn plan om de vermeende voetsporen van King Arthur te volgen echt moet doorzetten of dat ik de zoveelste toeristenfuik beter kan vermijden. 
De film The Odyssey is inmiddels gezien, vorige week, samen met broer A. Het was een mooi (en luid) spektakel met prachtige beelden, maar beiden vonden we het geen film die eenmaal thuis nog in onze gedachten speelde. We vonden de zoon (Tom Holland) nogal karakterloos, de Sirenen hadden wel wat meer aandacht mogen krijgen, waarom verdween zijn vriend Eurylochus zo geruisloos en waarom had Matt geen lang haar (wel goeie spieren trouwens, sjonge).

Daarna liepen we samen door een zonnig en historisch Amersfoort een heel eind terug naar de parkeergarage waar mijn auto stond, omdat ik het hele filmbezoek vergeten was en doodleuk in de H&M met een blousje in mijn handen stond  (bordeauxrood, best leuk) toen hij belde waar ik bleef. Dat werd nog even een hysterisch gehaast, maar we haalden het en konden zelfs nog even een ouwemensenplas doen ook.