maandag 2 november 2026

De verbouwing 1

1. Inleiding

Onze wijk staat in de steigers. De 72 woningen van ons blok worden klimaatbestendig gemaakt. Daar ging heel wat heisa aan vooraf, want er moest een stemming komen. Als het aantal ja-stemmers niet boven de 70% uitkwam, ging de grap niet door. Veel bewoners zagen het niet zitten. En van ons rijtje waren er maar twee mensen die graag van het gas af wilden, de buurvrouw van de hoek en ik. Wij worden nu met de nek aangekeken, want de 70% is maar nipt gehaald en de andere buren zijn boos. Ze willen geen sedum (mos)dak, geen warmtepomp, geen triple glas en geen inductie, maar vooral geen gedoe en geen manvolk over de vloer. Het heeft zulke extreme vormen aangenomen dat sommige buren die arme bouwvakkers hun werk niet laten uitvoeren. Het is lastig ja, want aannemers nemen aan dat jij gewoon maar elke dag thuis kan blijven als ze binnen aan de slag moeten. Lastig ook dat er 3 maanden lang geen parkeerplaatsen voorhanden zijn, zelfs niet op je eigen oprit want ook de carport is eraf en alles ligt op de stoep. Maar ik snap werkelijk niet hoe je je onvrede kunt uiten tegen de mensen die zo'n opdracht uitvoeren. Dat is als kwaad worden op de caissière van de Albert Heijn omdat het systeem plat ligt. Zoveel domheid, je went er nooit aan. Ik (die hippie van nummer 19) maak er maar het beste van, ik pak de fiets als het kan en de auto als het moet en fiets vrolijk en klimaatbestendig het volgende jaar in. Mowgli heb ik in ieder geval aan mijn zijde. Hij trof vanochtend een open slaapkamerraam aan en vond het kattenpaadje eronder een geweldig idee. "Was Mowgli niet binnen", appt S even later. "Ik zie m buiten lopen, zonder zijn tracker om!"



2. Baarden

De parkeerstrook voor ons huis, plus het gras erachter, ligt vol met bouwmateriaal, er staan met sloten beveiligde ijzeren kooien vol met ruiten en en ander kwetsbaar materiaal en in de straat is het overdag een drukte van belang, met vrachtwagens, bestelbusjes en hoogwerkers die de rijbaan blokkeren en stoere mannen met lange baarden, van mediterraans zwart tot Vikingrood, die af en aan lopen en elkaar toeschreeuwen in het Pools, Turks of Utrèchs.

Ik, van oorsprong immers een Amsterdams stadskind en opgegroeid met de constant aanwezige geluiden van tram, bus en ambulances, ik vind het wel gezellig. Als ik de deur uit stap, staat er altijd wel een gespierde gezelligerd met bierbuik voor mijn huis die me vrolijk groet. Niet zoals vroeger, hissend en sissend (dat waren nog eens tijden), maar met de gemoedelijkheid van iemand die tevreden is met zijn leven, het harde werken overdag, zijn voetbal met biertje in de avond. Of gewoon omdat een Hollands tientje in zijn thuisland de waarde heeft van zo'n 30 euro.

Ik ben vastbesloten deze verbouwingsmaanden te doorstaan als een beschaafd en welwillend mens, maar je auto niet voor de deur kwijt kunnen, dat is me toch iets te stads. Dit ongemak noopt tot parkeren met beleid. De hoogste trefkans heb je tussen 4 en 5 in de middag. Dan zijn de auto's met de witte nummerborden naar huis en staan de omwonenden nog in de file. Heb je eenmaal een plek veroverd, dan is het zaak er zo lang mogelijk te blijven staan. Ik heb in jaren niet zoveel gefietst.

Dit keer had ik echt de auto nodig. Ik trok mijn jas aan, opende de voordeur, en liep bukkend onder de steigers door. Links en rechts glimlachend knikkend liep ik de straat uit. Omdat er zoveel onwil in de straat heerst, heb ik als ja-stemmer kennelijk het idiote idee ontwikkeld dat ik met mijn gedrag dat van de anderen moet compenseren. Vrolijk sloeg ik de hoek om, maar daar zag ik dat mijn veel te lang niet gewassen Franse autootje was ingesloten door een grote, witte bestelbus.

"Oh" zei ik dommig. Ik kon er niet uit, alweer zo'n stadsig probleem, wat nu. Ik keek om me heen. Bij een bouwkeet stond een man in een oranje jas. Zwarte baard, ogen als kolen. "Hoi", zei ik. "Weet jij van wie die bus is? Ik kan er niet uit." Hij wist het niet. "Is hij wel van ons", vroeg hij. "Dat is wel het soort afdekplastic dat bij mij binnen is gelegd", zei ik slim en wees naar het logo op de bus. De man riep naar twee collega's die op het dak bezig waren. Of zij het wisten. "Wat?", riepen ze. Maar ook zij wisten het niet. "Ik vraag het even hierachter", zei de baard, en hij liep naar het hofje achter onze straat. Maar ook daar wisten ze het niet. "Sja", zei ik. "Dan wacht ik maar even". Ik appte mijn afspraak, deed er een fotootje bij als bewijs. Op dat moment kwam er een man uit nummer 10 lopen, gehaast. "Sorry, sorry", riep hij. "Ik kwam even thuis wat gereedschap halen en dacht, die blauwe auto wordt nooit verplaatst, dus het kan wel even". Ik zei dat ik het niet erg vond en dacht, ik woon hier al 9 jaar, waarom ken ik jou helemaal niet?

Toen ik na mijn afspraak terugkeerde, het was inmiddels na vieren, was de plek wonder boven wonder nog vrij. Ik zette de auto weer op zijn plaats en liep terug mijn straat in. Bij de keet stond dit keer een man met een kaal hoofd vol sproeten en een lange, vuurrode baard. Hij was iets aan het freezen. "Tis weekend", riep ik jolig, "Ga naar huis!" "Wat?", riep hij. "Ga naar huis", herhaalde ik. Eenmaal binnen realiseerde ik me dat die laatste zin zonder de eerste helemaal niet zo aardig klonk als ik had bedoeld. Gelukkig had ik erbij gelachen. Als een blij ei. Want ik had ja gestemd, dus dat moest.

PS: ik weet niet wat freezen is, maar het leek me een bij de situatie passend woord. 

3. Weekendstilte (voor de storm)

In het weekend keert de rust terug in mijn straat. Af en toe komt er een auto langs of laat iemand zijn hond uit, meer niet. Ik zit aan tafel met mijn espresso en mijn eiwitshake, mijn vaste start van de dag. De lucht is grijs, het is zo'n saaie, doodse herfstdag tussen storm en regen in. Aan de overkant zie ik de proefwoning liggen met het weelderige onkruiddak, iets wat zoveel weerstand opriep in de wijk, dat de plannen op het laatste moment zijn veranderd en we een sedumdak krijgen. Wat precies het verschil is weet ik niet, ik laat me maar verrassen. Vanmiddag ga ik sporten en daarna bowlen met de familie, morgen wordt Kimi wereldkampioen. Maandag belooft het een drukke dag te worden. Ze gaan de oude schoorsteen slopen en ik krijg een gat in mijn dak. Dit wordt 's avonds afgedekt, is toegezegd. Mijn enige zorg is de kat.

4. De mannen van de BAM

Ik lag vanochtend nog in een zware, diepe slaap (het was immers pas 7 uur), toen ik ruw wakker werd geschreeuwd door S. "Er wordt gebeld, hóóóór je dat niet!" Nee, dat had ik niet gehoord en het kwam ook niet helemaal binnen, want ik wilde slaapdronken naar beneden hobbelen in mijn nachthemd, maar werd tegengehouden door het kind. "Niet zó, mam! Het zijn de mannen van de BAM."
Exemplaar 1 kwam de cv ketel loskoppelen. Een knappe man, lichtblauwe ogen, hartstikke jong nog en waarschijnlijk al vanaf 4 uur op. Niks gen-z. "Geen warm water?", vroeg ik verbijsterd. Dat had niet in de dagplanning gestaan, anders had ik eerst wel even gedoucht. Ik haatte hem direct, maar riep vrolijk "Tuurlijk, doe maar". Gelukkig had ik mezelf in deze lange, hete zomer getraind om koud af te douchen, zodat het niet helemaal rauw op mijn dak viel. Hollandse soberheid. "En heel gezond", zei de cv-man. "Je bent meteen wakker!" (Intense haat.) Even later stond hij weer voor de deur, dit keer met een man die een schut kwam plaatsen voor de bla, bla, bla, dat is wat ik hoorde. "Tuurlijk, doe maar", riep ik weer. Na man nummer 3, een groezelig type met een ongewassen knot en een dikke buik in een bh-loos shirt, was kat M een psychose nabij. "Blijf jij maar binnen", zei ik, en stopte hem in mijn werkkamer, de enige kamer met een kinderslot. 

De rest van de dag had ik mannen over de vloer, de mannen van de BAM. Het werd een ongepland lesje in nietsdoen, wat mij altijd ongelofelijk veel moeite kost. Van nature ben ik lui maar ook behept met een bizar sterk gevoel van plicht- en dwangmatigheid: ik moet op maandag sporten, ik moet yoghurt eten en geen kaneelbroodjes, ik moet mijn stappen zetten, ik moet... ik moet vanalles, zomaar niksdoen voelt raar, al is het nu wel een uitkomst omdat ik een akelige sportblessure heb opgelopen ergens in de diepere krochten van mijn oudedamesheup. Rust zal u goed doen, spreekt mijn bewaarengel. Ze bellen wel aan als ze weer iets van je moeten, zegt mijn buurvrouw. 





zondag 11 oktober 2026

Into the twilight zone

Het zat tegen het schemeruur aan en ik fietste met S achterop door de weilanden naar haar paard. Nadat ik haar had afgezet begon het zacht maar onmiskenbaar te regenen. Er stak een flinke zeewind op die me de verkeerde kant op duwde, niet naar huis, maar nog verder het platteland in. Na nog een half uur ploeteren kreeg ik een lekke band. Wat nu, dacht ik met een gevoel van verslagenheid. Ik was moe, koud en nat. Precies op dat moment zag ik langs het pad in het halfdonker een oude, beetje verzakte boerderij liggen. Er brandde licht en ik hoorde jazz. Naast de deur hing een bordje: "Besloten club, alleen voor kunstenaars". Ik parkeerde mijn fiets tegen een boom en klopte aan. Een man van middelbare leeftijd, type drankneus, opende de deur op een kier.

"Ja?", vroeg hij nors.
"Mag ik naar binnen?", vroeg ik.
"Ben je kunstenaar?"
"Ik ben schrijver", zei ik.
"Bewijs dat eerst maar eens", zei hij, terwijl hij mijn uiterlijk en kleding bekeek. Veel te provinciaals, zag ik hem denken. Ik plukte mijn telefoon uit mijn achterzak.
"Sorry, maar een blog maakt je geen schrijver, en nee, ook een zelf uitgegeven boek telt niet", en hij wilde de deur al sluiten.
"Wacht!", riep ik. En pas nadat ik kon laten zien dat ik maar liefst 3 keer in een literaire bundel met verhalen over Amsterdam Nieuw-West had gestaan, mocht ik naar binnen. Op een plattegrond wees hij waar ik mocht zitten. In de sectie amateurschrijvers.

Binnen was het warm en lawaaiig. Er werd gerookt alsof er sinds de jaren 70 niets was veranderd. Aarzelend ging ik zitten op de mij toegewezen plek en bestelde een whisky on the rocks. Naast me zat een morsige man met een stoffige zwarte baard. Hij droeg een gedicht voor aan de jonge vrouw aan zijn zijde. Verlangend keek ik naar de hoek van de ruimte waar de musici zaten. Er klonk luid gelach en gezang, gitaar- en pianospel. Ik zit verkeerd, dacht ik. Schrijvers leven een teruggetrokken bestaan en als ze dan kunnen praten, gaat het alleen over henzelf; aan mijn andere zijde had een jonge man het al een kwartier tegen niemand in het bijzonder over zijn laatste roman.

Ik besloot te verkassen naar de muzikanten. Daar kondigde iemand net aan dat Puccini een jamsessie ging houden met Madonna. Ik moet mijn broer vertellen over deze plek, dacht ik steeds. Puccini zag er jong en knap uit, in zijn mondhoek de eeuwige sigaret die hem uiteindelijk zou doden. Madonna zag er oud uit, maar met een afgetraind lichaam en een bol, glad getrokken gezicht. Haar middelmatige en nasale stem klonk vreemd genoeg heel rustgevend op de klanken van La Rondine. Ik moet S halen, bedacht ik me ineens met schrik. Ze wacht op me. Ik holde naar buiten, pakte mijn auto en scheurde de snelweg op.

Dat dit een droom was, had u waarschijnlijk al door. Wij hebben immers geen zeewind. En ik lust geen whisky. Toen ik mijn ogen opendeed, stond S naast mijn bed. "Zo, jij kwam van ver", lachte ze. "Ik ga naar mijn paard, tot straks". 

vrijdag 2 oktober 2026

Paljas

Zondag stond het beroemde tweeluik Pagliacci & Cavalleria Rusticana bij de Nationale Opera op het programma. Ik ging dit keer met dochter S, je moet als moeder immers je aandacht eerlijk verdelen over je kroost, zeker als je ze alledrie een goede culturele basis wil meegeven. Komt bij dat zo'n tripje tegenwoordig flink in de papieren loopt, geen schellinkje, geen gereduceerd tarief voor jongeren, zieken of oude van dagen, dus gezellig met zijn allen wordt te prijzig.

Zoals gewoonlijk was S weer een plaatje, klassiek gekleed in lamswol en designertas, met een slanke taille en een evenzo strakke kaaklijn. Om niet al te schril bij zoveel jeugdige schoonheid af te steken, had ik extra mijn best gedaan. Ik had mijn satijnen feestbroek aangetrokken, een marineblauw fladdergeval, zonder enige stretch. Een draak van een ding dus, en dat met een paar lang niet gedragen pumps eronder. "Als je jonger was geweest had je er beter uit gezien dan ik", zei het wicht toen ik door ontwenning enigszins wiebelend mijn intrede deed. Met andere woorden: "best aardig voor zo'n oud lijk" (maar verder is ze heus lief.)

We namen de auto naar het station en aldaar de trein naar Amsterdam. We zaten in een stiltecoupé. Twee rijen voor me zat een vrouw, een moslima, geluidloos te huilen terwijl ze op haar telefoon keek. Soms belde ze met iemand. Naast me zat een magere, hoogzwangere vrouw in een korte rok en een mosterdgele panty (nooit begrepen hoe je zo lokaal zwanger kunt zijn, bij mij schommelde alles gezellig solidair mee). Ze hield haar hand onder haar buik en ik zag de baby naar haar toebewegen.

"Zag je dat?", vroeg ik aan S toen we uit de trein stapten. "Die vrouw heeft de hele rit gehuild".
"Oh, wat zielig", zei S. Ze had het niet gezien.
Het was druk op het perron. We bewogen mee met de massa richting de trappen.
Nu moet je weten dat ik behalve hypochondrie ook een lichte vorm van smetvrees heb. Gewone huis-, tuin- en keukenbacteriën doen me niks, ik ben bepaald niet zo iemand die elke week haar bed verschoont of niet gezamenlijk in een bak chips durft te graaien, maar ik ben als de dood voor virussen. Sars, de Mexicaanse griep, Ebola, die goeie ouwe Covid natuurlijk, maar ook het doodgewone influenzavirus, ik mijd eventuele besmettingshaarden als de pest. En mensen zijn vies, heel vies. Loop 's ochtends vroeg maar eens door een supermarkt. Twee van de drie bezoekers heeft zich die ochtend niet gedoucht. Ik ruik dat, ik ruik alles. Ik ben slechthorend en ernstig bijziend en daarom doet mijn neus het fantastisch. Ik ruik het wanneer iemand shag rookt in plaats van sigaretten, ik ruik het als iemand twee dagen geleden knoflook heeft gegeten (dat zweet je uit), ik ruik het als iemand smetplekken heeft of smegma meedraagt. Tenenkaas, een beslagen tong, kerrieoksels, oorsmeer, ik ruik het. Ik draag dit wrede lot gelaten, maar ik zeg u, het is een smerige wereld waarin we leven en daarom raak ik de trapleuningen op vliegvelden en treinstations niet aan; aan een leuning van een internationale toeristische trekpleister als Amsterdam moet zo'n beetje alle gorigheid van de wereld kleven.

En aldus ontvouwde zich de volgende scène (ik heb dit later aan de hand van getuigenissen kunnen  reconstrueren).

Akte 1.
Een vrouw. Ze loopt op een stenen stationstrap naar beneden, samen met haar dochter. Het is druk. Ze draagt een wijde, donkerblauwe satijnen broek met daaronder een paar hoge pumps, ze verbeeldt zich heel wat. De vrouw heeft smetvrees, en, niet onbelangrijk, ze is 67.
Dan, halverwege de trap, blijft haar rechter naaldhak haken in haar linker broekspijp. Omdat ze zich niet vasthoudt aan de trapleuning, raken haar voeten verstrengeld in elkaar. Ze verliest haar balans en begint te vallen. De dochter schrikt. Ze probeert haar moeder tegen te houden, maar het vallen is niet te stoppen. De vrouw raakt de treden, eerst met haar knie, dan haar heup en onderbeen. Net als ze denkt, dit is het, rolt ze weer verder, ze ligt nu op haar rug en nog lijkt het vallen niet te stoppen, ze rolt nog twee, drie treden omlaag. Dan, na wat een eeuwigheid lijkt, voelt ze een paar ferme handen tegen haar rug en twee andere handen die haar onder haar oksels pakken en omhoog sjorren.
De vrouw kijkt onthutst en enigszins verward in de vriendelijke ogen van twee jongemannen, eind twintig, misschien begin dertig.
"Mevrouw, mevrouw, gaat het", vragen ze geschrokken. "U viel echt heel hard, gaat het?" "Tuurlijk, tuurlijk", mompelt de vrouw met vuurrode wangen van schaamte. Ze bukt zich om de schade op te nemen. Haar knie bloedt, maar wonder boven wonder is haar broek nog helemaal heel. Ze bedankt de jongens, die naar haar mening veel te lang blijven staan om zoiets futiels. "Er is heus niks, geen idee wat daar nou gebeurde. Mijn broek, mijn hak. Nee, geen pijn, niks aan de hand. Bedankt, bye, bye. Heel lief, maar t gaat weer, heus."

Akte 2. 
Ze lopen verder, de vrouw en haar dochter. De pijn, die zal ze pas later gaan voelen, na de 2e en de 3e akte. Het zal blauw en beurs worden, haar been, haar rug. Maar nu niet, nu is er slechts schrik en schaamte.
"Wat de fuk was dat", zegt ze tegen haar dochter.
"Later zullen we erom lachen", zegt zij.
Dan belt ze met haar vriend. 
"Mijn moeder is net kenkerhard van de trap in het centraal station gevallen", lacht ze. 
"Later, ja", zegt de vrouw.
Maar in de metro houdt ze ze zich stevig vast aan de stang. Dan maar ebola.



vrijdag 25 september 2026

Een grotemensenschrijver

De broer en ik praten over het schrijverschap. Hoe ver wil je gaan als het om je persoonlijke leven gaat. Hij heeft strakkere grenzen dan ik; ik wil de lezer nog wel eens een blik gunnen in mijn hopeloos mislukte huwelijksleven van weleer, hij houdt die doos dicht. Ik denk dat ik net iets meer durf dan de broer, maar ben me toch ook bewust van mijn eigen grenzen. "Te braaf om een echte schrijver te zijn", verzucht hij. En daarmee slaat hij de spijker op de kop. Want hoe boeiend ben je als je nooit het achterste van je tong laat zien, als je de deur naar de donkerste spelonken van je ziel gesloten houdt. Schrijven we voor de gemiddelde lezer, in een toegankelijke en luchtige stijl die vooral leesplezier verschaft of zitten er meerdere dimensies in ons verhaal en willen we met onze vertelling een diepere laag aanboren? Gaat het om leuke anekdotes, verteld met de nodige humor, of verhalen we over onze angsten en emoties, over schuld, macht, spijt en boete, om maar wat te noemen.

Het moge duidelijk zijn in welke categorie ik val. Meestal, tenminste. Grappen en grollen alom. De broer gaat vaak de analytische kant op, maar ook hij blijft in zijn hoofd zitten, wat er werkelijk in hem omgaat blijft een stil en duister geheim. Je raakt hoe dan ook lezers kwijt, zegt hij, als je de grenzen opzoekt of zelfs overschrijdt. Ik weet niet eens wie mijn lezers zijn, bedenk ik me. Het is een abstract gegeven, een anoniem publiek in het donker. 

"Je ziet niemand", had dezelfde broer gezegd toen ik voor het eerst in een operette stond. Hij timmerde al jaren aan de weg en kon het weten. Maar toen ik bibberend van de zenuwen (verkleed als zigeunerin met een zwarte pruik) het podium betrad, zag ik ze meteen zitten: mijn ouders, pontificaal vooraan, glimmend van trots. 

Nu ben ik me slechts bewust van het aantal lezers dat reageert. De vrienden, familie, een enkele collega. De rest blijft ongezien. Ooit kreeg ik een boze reactie van mijn tuinman. Hij reageerde op een blog waarin hij een bijrol had. Ik had een grap gemaakt die hij persoonlijk opvatte en hij was niet blij. Terecht, dat voorop, maar ik was vooral verbaasd en lichtelijk in shock, wie las er nog meer mee behalve een handvol vrienden? "Dûh", zei dochter S. "Het internet, hè mam, het internet is een oneindig grote poel des verderfs (maar dan in minder poëtische bewoordingen)", en ze trok de 'boomerkaart' maar weer eens.

Als ik met pensioen ben, dan!, verzucht ik vaak. Dan ga ik echt schrijven, dan word ik een heuse grotemensenschrijver! Dan vertel ik alles, tot aan de meest schokkende details toe. Ze zullen ervan lusten! Klanten, collega's, familie, exen! Ik zal geen vriend meer overhouden. Mijn broers zullen mij excommuniceren, mijn exen zullen mij niet langer jaarlijks mailen met een verjaarsfelicitatie, ik mag niet meer met mijn kinderen mee op vakantie (ook niet als ik betaal) en ik ben niet langer welkom in hun tuinhuisje als ik oud ben en de dagen moe. 

Tot die tijd houd ik het maar op verhalen over mijn dagelijkse lief en leed. Onschuldige blogjes vol Tinderavonturen (nooit meer!), loodgieters, sportschoolontmoetingen, medisch leed en kattenliefde. Had ik al verteld dat ik zondag op het centraal station van Amsterdam van de trap ben gevallen (gekenkerd, zegt mijn dochter)? Nee? Die houdt u dan nog tegoed. Het was pijnlijk, maar hilarisch. 'Life is funny, even when it's sad', hoorde ik onlangs een acteur zeggen en ik besloot ter plekke dat dit mijn grafschrift moet worden. 

donderdag 24 september 2026

RIP. Tinderavonturen, slot

Enige tijd geleden zat ik weer eens op Tinder. Tegen beter weten in want ik had al meerdere malen geconstateerd dat daar niet veel goeds van te verwachten is. Toch is het verlangen naar een man niet zo groot dat ik 30 euro per maand wil neertellen voor een serieuzere app, dus Tinder it was. Mannen schiften op basis van uiterlijk, vrouwen op uiterlijk en tekst. Geen tekst, geen swipe naar rechts. Misschien is dat bij de jongste generatie daters anders, maar zo doen vrouwen van mijn leeftijd het. En zo kan het gebeuren dat je een man leuk vindt op basis van zijn tekst. Het komt nog voor in deze ijdele en oppervlakkige tijden, ik zeg het je.

Want ja, ik trof een leuke man aan, zo maar pardoes tussen alles staatsmongolen in, een erwt tussen stapels van tekst- en breinlozen, een ruwe diamant. We stuurden elkaar dagenlang lappen tekst. En het werd alleen maar leuker. Niet dat hij zo op het eerste oog mijn type was, - hij was kaal en wat schriel -, maar ach, had ik inmiddels niet eindelijk die leeftijd bereikt dat een geestelijke connectie belangrijker was dan een fysieke chemie? De man was erudiet, vertaler van echte literatuur (dus niet van Fifty Shades of Desperate) en schreef zelf ook. Oké, hij woonde in Amsterdam, maar een kleinigheid hou je toch, zoals mijn vriend P altijd zegt. En we kwekten wat af. Zo enthousiast dat ik hem de link naar mijn blog durfde te geven.

Dit had ik slechts één keer eerder gedaan, aan een eindredacteur Kunst van het Eindhovense Dagblad. Hij zag van verder contact af, had hij na enige leesmomenten met een zuinig mondje vastgesteld. Want ik was cynisch en dronk te veel wijn. Waar hij die wijn vandaan haalde is me nog immer een raadsel, want op een enkel feestje na, ben ik al enige jaren praktisch abstinent. Overigens niet nadat de alcohol dikke schade heeft aangericht. Zowel hart als geheugen hebben er een flinke knauw door opgelopen en dat mijn vele huwelijken er destijds niet van opknapten mag ook gerust worden gesteld. Berouw komt na de zonde, tis heus waar. En dan .. cynisch? Als in bitter? Zo zie ik mezelf helemaal niet, ik ben hooguit wat door het leven getekend. Nou ja, saved by the bell, zeggen we dan.

Terug naar de slimme, schriele vertaler. Deze meneer las mijn blog met plezier, zei hij. Het leidde hem bovendien wat af van zijn chronische rugpijn. Hij was net een nieuwe behandeling gestart en au, die kwam binnen. Ik had nog steeds geen lijken in de kast ontdekt, behalve misschien het onopvallende feitje dat hij ooit zijn vrouw had voorgesteld om apart te gaan wonen, hetgeen ze jaren en jaren hadden gedaan. Ik ben er nog niet uit of dat nou heel erg slim was of een teken aan de wand. Feit is dat ik zelf nooit meer wil samenwonen en al helemaal niet in mijn geboortestad.

Maar ineens bleef het stil. Hij reageerde niet meer. Ik toonde me begripvol, want had in hem geen typische Tinderman gezien, maar hij zei niets meer. Ook niet toen ik mijn 06 gaf, iets wat ik doorgaans pas doe na een eerste date. Niets. Geen uitleg, geen laatste woorden, geen 'sorry, maar je drinkt te veel', geen 'je bent niet zo grappig als je denkt', en ook geen 'In zo'n wespennest waag ik me niet'. Niets.

'Hij kan maar beter dood zijn', zei ik tegen de dochter, want al ben ik inmiddels gehard door eerdere ervaringen van ghosting, deze had ik niet zien aankomen. 'Dat is nog zijn enige geldige excuus.'

Toch niet zo'n leuke man.
Of een dooie man, dan RIP.