Mijn oudste broer en zijn vriendin vierden onlangs hun beider verjaardag. Geen speeches, geen sketches, geen dia's, gewoon een paar uurtjes samenzijn met mensen die ons dierbaar zijn, schreven ze. Omdat zo'n groot gezelschap van familie en vrienden niet past in mijn broers Ansterdamse bovenwoning en ook de ruimte in het dijkhuisje van vriendin P niet toereikend was, besloten ze een oud kerkje af te huren in Noordeinde, een lintdorp op het Schermereiland in Noord-Holland. Vroeger een godshuis van de doopsgezinde gemeente, nu een locatie voor feesten en partijen. Het Schermereiland is een voormalig eiland tussen de polders Schermer en Beemster. Het was niet altijd een eiland en het bleef niet altijd een eiland. Door de ontginning van veen in de middeleeuwen daalde de grond en ontstond er een meer. Het Schermereiland kwam als hoger gelegen gebiedje midden in het Schermeer te liggen. In 1635 werd dit veenmeer drooggemalen en dat werd de polder de Schermer. De eerste bewoners leefden van landbouw en van walvis- en haringvisserij.
Tot zover het internet. Het boeit u misschien allemaal niet, maar mij wel. Want al kom ik uit een mooiere, groenere streek en word ik als ik door Noord-Holland rijd altijd licht bevangen door het unheimische gevoel van troosteloosheid dat dit eindeloze, vlakke en kale polderland oproept, de historische kenmerken zijn in het noorden veel beter bewaard gebleven. Je rijdt door piepkleine dorpjes, met van die typische noord-hollandse stolpboerderijen, over witte, houten bruggetjes, langs molens en heel veel hervormde of doopsgezinde kerkjes. Als je je ogen half dichtknijpt zie je de vissers in hun boten vechten tegen de elementen, eensgezind de gure noordzeestorm trotserend, en later de boeren, die voor dag en dauw opstonden om zwoegend het onwillige Hollandse land te bewerken, hun norse gezichten gelooid door de natte polderwind.
Ach, noem me een romanticus, maar ik zie dit letterlijk allemaal in luttele seconden aan me voorbijtrekken, terwijl mijn jongste broer zijn Tesla door het vlakke land manoeuvreert en mijn middelste broer naast me winden laat. Als we een paar uur later terugrijden, na een feest vol eten en muziek en na een vreugdevol weerzien van mensen die ik in geen jaren had gezien, voel ik me een stuk beter dan die ochtend.
"Dat was een hoop familie", zegt de windenlatende broer naast me, voordat hij dommelend wegzakt in een roes van alcohol en walnotentaart.






