donderdag 1 januari 2026

Oudjaar en dingen die voorbij gaan

Als ik aan de laatste uren van mijn moeder denk, aan haar sterven, dan denk ik ook aan de jas die ik aanhad. Het was een nieuwe, camelkleurige mantel, heel chic, maar veel te lang. Ik voel nog de zoom tegen mijn enkels tikken terwijl ik over het grijze linoleum van de ziekenhuisgangen naar haar kamer liep. Ik zou 'm later die week inkorten, maar toen ik haar kamer binnenkwam was ze al gestorven. Het zijn van die ongewilde associaties waar je de rest van je leven mee kampt. Zoals ik bij het pannenkoeken bakken altijd denk aan mijn ex-schoonzus die me liet zien hoe je ze mooi dun kreeg.

Ze werd 2 dagen voor oudejaarsnacht opgenomen na wat een redelijk onschuldige tia leek. Op de laatste dag van het jaar bracht ik een zelfgebakken cake mee. Voor jou en de verpleegsters, zei ik. Ze zat toen nog rechtop. Op nieuwjaarsdag sliep ik zonder zorgen eerst mijn kater uit, de volgende dag nam ik mijn man en mijn zoontje van 2 mee naar het bezoekuur. De lange jas deed klapperdeklap, de hakken van mijn pumps tikten ritmisch op de gladde vloer. De cakevorm was leeg. De zusters vonden 'm heel lekker, zei ze, maar zij zelf had er niet van gegeten. Toen wist ik ergens al dat dit niet goed ging komen. Een week later zat ze niet meer overeind. Spreken ging moeilijk. Nog een week later schreef ze de woorden op papier, schots en scheef, zonder focus, in het handschrift van een 80-jarige. Maar ze is pas 67, zeiden mijn vader en ik tegen de neuroloog. Hij sprak woorden van goede moed en hoop houden, maar zei ook dat ze het niet wisten en dan weet je het zelf meestal wel. Na nog een paar dagen lag ze apart. Zodat ze geen last had van de andere patiënten, zei de verpleegster. Zodat ze dood kan gaan, dacht ik. Mijn vader, mijn jongste broer en ik waakten bij toerbeurt aan haar bed. Op dinsdag 24 januari om half 5 ging ik naar huis om de oppas af te lossen. Om 5 uur zou mijn vader komen. Om kwart voor 5 stierf ze.

Het is een koude, vrijwel geheel bewolkte dag op dinsdag 24 januari 1995, met een gemiddelde temperatuur van 6.3 graden celcius, zegt het weerbericht van toen.
 Ondanks de zege van Mitterand is zijn overwinning niet zeker, schrijft het AD. De slag tegen Bin Laden komt dichterbij, kopt het Eindhovens Dagblad. Niets over mijn moeder. Niets over de dood van mijn moeder.

Ik ben nu één jaar jonger dan zij ooit geworden is en dat maakt mijn aanwezigheid op aarde momenteel erg beladen. Ga ik het halen of zal ik ook jong doodgaan? De vlakke, troosteloze januaridagen versterken het gevoel van eindigheid, van verval en versterving.

Was ze gelukkig? Het is een vraag die ik mezelf steeds vaker stel, nu ik oud ben.

Voor me ligt een stapel brieven die ze aan mijn vader schreef toen hij als soldaat op herhaling moest. Hij was maar een paar weken weg, maar mijn moeder schreef hem smachtende en, voor zover haar calvinistische opvoeding dat toeliet, soms vurige brieven.

Ik zie haar op foto's uit die tijd. Ze zit geknield op het jonge gras van onze achtertuin in Geuzenveld. Een kokerrok omspant haar volle dijen, diezelfde dijen die mijn vaders aandacht trokken toen hij als pianist schnabbelde bij een amateur balletklasje in Amsterdam zuid. Mag ik je naar huis brengen, had hij gevraagd. Op de foto sta ik naast haar, op evenzo mollige beentjes, ze laat me drinken uit een tuitbekertje, terwijl ze lacht naar de fotograaf. In de verte de eerste huizen van de wijk Osdorp in aanbouw. Als ik mijn ogen sluit hoor ik het heien van de palen in de zanderige grond.

Wat het leven haar heeft gebracht is niet wat ze ervan verwachtte. Zoveel weet ik. Zoveel maak ik op uit haar brieven aan de man die ze haar hele verdere leven heeft liefgehad. Het is een leven dat veel mensen, vrouwen, zullen herkennen. De slaafse liefde, de blinde liefde, de ontkennende liefde, de vergevende liefde, de teleurstellende en de pijnlijke liefde. En uiteindelijk de berustende liefde. Zo is ze gestorven, wil ik denken. In vrede met haar huwelijk en met zichzelf.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten