maandag 6 april 2026

IJsbloemen op het raam, een (niet zo) nostalgische terugblik

Ik weet nog dat mijn vader eens vertelde dat als je ouder wordt je steeds vaker met je gedachten teruggaat in de tijd. Vooral 's avonds in bed, als je de slaap niet kunt vatten. Kun je niet slapen door de opdringerige herinneringen of spelen ze op omdat je wakker ligt? Kip of ei, we weten het niet, maar mij lijkt het dat je vooral teruggaat omdat je hedendaagse leven niet zoveel meer voorstelt. Nou ben ik door de bank genomen niet ongelukkig, bedacht ik me vandaag toen ik mijn broertje van 64 thuis had afgezet en door de avondschemering naar huis reed. Er is verdriet en er is pijn, maar ik lach veel, mijn leven is vol en veilig en warm. Ik mag mijn werkdagen doorbrengen met lieve en originele mensen, op feestdagen schuiven mijn kinderen nog steeds graag aan, tussen 3 en 4 heb ik de sportschool bijna voor mezelf en onlangs heb ik de app Signal gewoon weer verwijderd (een ander verhaal voor een ander tijdstip), wat wil een mens nog meer? Veel natuurlijk. Ik ben geen spiritueel type, ik wil gewoon op vakantie kunnen in een lekker hotel, zou best in een mooie villa op het platteland willen wonen, en soms lijkt me de door mijn collega's geopperde gigolo (van je vitaliteitsbudget, moet je doen!) ook wel wat (maar meestal niet). Maar al met al, geen klagen, al doe ik dat graag.

Hoe goed ik het heb, hoe stinkend verwend ik ben, realiseerde ik me vanavond toen ik in bed stapte. De elektrische onderdeken had mijn koude hoeslaken verwarmd en ik heb niet één maar twee dekbedden van velours (van die hoes en dekbed ineen types) op mijn bed. Plotseling was ik terug in mijn puberkamertje in Slotermeer (dat is een wijk in Amsterdam). Dat waren nog eens winters, zucht mijn generatie vaak. En inderdaad, het waren vaak straffe winters in die jaren 60/70, met ijsbloemen op het enkelvoudige glas en geen verwarming in de slaapkamers. Naar bed gaan was niet iets waarop je je verheugde. Je stapte in een ijsbad. Als mijn moeder mij na een uurtje nog even kwam instoppen, zoals ze het ritueel van een kus en de nodige geruststellingen noemde (ja heus, jij krijgt ook borsten, en nee echt, je hebt het niet aan je hart, je gaat niet dood), lag ik nog steeds rillend tussen de koude, witte lakens, met mijn neus diep weggedoken in de wollen deken en de oranje, chenille sprei. De wereld leek in niets op het liedje van Van Kooten en De Bie: al huilde de wind buiten om het huis en stond de kachel binnen te snorren op 4, ik voelde me helemaal niet veilig. De nieuwe middelbare school was groot en vreemd, ik had geen vriendinnen in de klas en mijn moeder huilde veel omdat mijn vader een liefje had buiten de stad. Dat laatste wist ik toen natuurlijk nog niet, maar ik voelde dat er iets niet klopte, dat doen kinderen. Maar als het buiten erg hard vroor, legde ze een kruik in mijn bed. Een metalen kruik met eromheen een door mijn oma gebreide sok, zo'n grijze geitenwollen sok die je kon dichtstrikken aan de bovenkant, speciaal voor dat doel. En soms kreeg ik de gestikte deken. Dat was een begrip bij ons. Een ruitvormig doorgestikte en loodzware groene deken. Een deken van warmte. Van liefde. Helaas was er maar één. En ik had drie broers.

Ach, het klinkt zo romantisch nu, maar het is echt zo'n pretje niet als je door de kou niet kunt slapen. En als je dan eindelijk sliep was het meteen weer ochtend. Dan hoorde je mijn moeders stem die riep: "Opstaan!". Dan rende je (met je blote voeten op het kouwe zeil, ook al zo'n weinig gerustellend liedje) in je pyjama naar de  gaskachel in de woonkamer en daar was het dringen geblazen, want ik zei het al, ik had drie broers en die leden ook onder de winters van de jaren 60 en 70. Behalve op zaterdag. Dan kon je uitslapen. Je hoefde niet naar school. Je bed was heerlijk warm. Tot je moeder om 11 uur de deur opengooide: "Lig je nou nog in je bed te stinken!"

Geen opmerkingen:

Een reactie posten