MENU

maandag 5 januari 2026

Een hachelijke onderneming

We gingen naar een concertuitvoering van de opera Andrea Chenier, M en ik. Een hachelijke onderneming, naar later bleek, en niet alleen omdat de tenor (wij noemden hem Knorretje) met elke uithaal op onze lachspieren werkte, maar omdat er vrij plotseling een ouderwetse winter was komen opzetten, zo eentje uit mijn jeugdjaren.

's Middags viel het allemaal nog mee, er lag al wel een pak sneeuw, maar die was lekker rul en stroef, het ijzelde nog niet. Toch besloot ik voor de zekerheid maar met het OV te gaan en niet zoals ik normaal gesproken doe, met de auto naar het station en vandaaruit met de trein naar Utrecht of Amsterdam. Maar toen we na 4 aktes drama en dood eindelijk weer buiten stonden, bleken de weergoden ons minder gunstig gezind. We glibberden voorzichtig door de besneeuwde straten van Utrecht en door een nat Hoog Catherijne naar het spoor, de trein stond al klaar. In een donker Amersfoort zagen we dat bus 80 (de mijne) en de 8 (de hare) over respectievelijk 3 en 12 minuten gingen, dus het viel allemaal reuze mee. Dachten we. Want nog geen minuut later liep een spoorwegbeambte langs alle haltes met de mededeling dat er geen enkele bus meer reed, ze waren allemaal naar binnen geroepen (ik vroeg me direkt af hoe een bus naar binnen kan). Het was te gevaarlijk, zei ze.

Bij de taxistandplaats reed de laatste taxi net weg. M belde taxi B, waarmee ze door haar liederlijke verleden op zeer vertrouwelijke voet staat. "Ik kom eraan", riep hij jolig. Maar hij kwam niet. En de sneeuwbui werd een sneeuwstorm en mijn handen ijsklompjes, want mijn handschoenen waren heel elegant dus volkomen nutteloos. Er kwam een jonge vrouw aan. Ze moest naar Nijenstede, zei ze. "Je mag wel met ons mee", riepen wij (want zo zijn wij), "dat ligt op onze route". "Maar ik heb geen contant geld", zei ze. "Hoeft niet", riepen wij weer met inmiddels bibberende kaak en versteende neus. "We gooien je er halverwege wel uit" (want zo zijn wij.). Een tweede jongedame voegde zich bij ons. Ze kwam uit Zweden en wilde naar een hotel. Ze begreep er niets van dat de bussen niet meer reden, zo'n beetje sneeuw, dan zou er in Zweden nooit een bus rijden, zei ze. Intussen was er nog steeds geen taxi te zien en de meeste wachtenden hadden in arren moede maar besloten te gaan lopen, maar dat zag ik, gezien de afstand naar het verafgelegen dorpje L, echt niet zitten. "Nu is het vervelend, maar later wordt dit een heel romantisch verhaal", zei ik tegen mijn dochter, gelukkig had ik mijn wax-jas van Britse makelij aan. Ze lachte en nam een foto, voor later, als het romantisch was geworden.

Er reed een taxi voor, een busje. Niet van de heer B, maar van de heer H. We keken elkaar aan. Gingen we wachten op B? En als hij nou ergens vastzat? We stapten in. Samen met de Zweedse, mevrouw Nijenstede was inmiddels opgehaald door een vriend. We waren koud op weg of B belde. "Waar ben je nou?", vroeg hij. Maar de heer H manoeuvreerde ons met gevaar voor eigen leven door de dichtgesneeuwde provinciestad. Het was chaos. Auto's slipten weg, remmen was een gok, maar H vertelde dat hij in zijn thuisland bij de commando's had gezeten dus dat het helemaal goed ging komen, ook zonder winterbanden.

De eerste stop was bij mijn dochter. "Stuur me een tikkie", riep ze nog en struikelde het busje uit. Daarna toerden we door naar het hotel van de Zweedse, dat lag op een uitgestorven industrieterrein. De teller stond inmiddels op 35 euro. "Kan ik met een bankoverschrijving betalen", vroeg ze, "want ik heb geen cash." H lachte haar vriendelijk toe. "Kan met pinbetaling, net als in Zweden", zei hij, en ging akkoord met de 20 euro (geen fooi) die zij wel redelijk vond maar ik totaal niet.

Op de snelweg was het iets beter gesteld met de bandengrip. Met zo'n 50 km per uur reden we de laatste kilometers naar mijn huis, terwijl de teller mijn kerstbonus wegtikte. Intussen was H druk bezig om mij als zijn volgende echtgenote in te lijven. "Jij ook alleen?", vroeg hij. Hij vond het maar niks, zo'n leven zonder vrouw. Man moest vrouw en andersom ook. "Neem een kat", riep ik enthousiast. "Maar daar kan je niet mee knuffelen", riep hij olijk en keek me vanuit zijn ooghoeken zwoel aan. Ik zei maar niets. Als een man, welke dan ook, het woord knuffelen gebruikt als hij intieme relaties bedoelt, dan slaat voor mij de deur naar een gezamenlijke toekomst met een harde klap dicht, ex-commando of niet. Toen we eindelijk voor mijn deur stilhielden, en ik hem mijn laatste Rutte-vijftigje (wel fooi) had gegeven, rijkte hij me zijn kaartje aan. "Voor volgende keer taxi nodig", zei hij. Ineens kreeg ik een flashback. Deze man had mij eerder thuis afgezet, toen ik met dezelfde M terugkwam van een vakantie in Mallorca. En ook toen had hij me willen huwen! "Ik heb eerder bij je in de bus gezeten", riep ik, toen ik weer veilige sneeuw onder mijn voeten voelde. Hij keek me glazig aan, dat kon hij zich niet meer herinneren, zei hij. 

Binnen wachtte de kat op me. Hij was blij me te zien.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten